Spring naar inhoud

Alle schrijvers leiden naar Rome

In het najaar is het zover: we gaan weer naar Rome! Ik heb even geteld en het wordt inmiddels de 12e keer dat ik mijn lievelingsstad bezoek. Dus je zou misschien denken dat het niet zo’n big deal meer is om voor de zoveelste keer naar Rome te gaan. Alleen is het voor mij precies het tegenovergestelde: hoe meer ik te weten kom over deze fascinerende stad, hoe meer ik erachter kom wat er allemaal nog meer te zien is. En dus wil ik terug naar Rome, elke keer weer.

Het Forum Romanum (c) Matthea

Om de voorpret vast te beginnen heb ik deze keer het boek Alle schrijvers leiden naar Rome gelezen van Patrick Lateur. In dit boek laat Lateur vele beroemde schrijvers aan het woord over hun ervaringen in Rome. Van de klassieke auteurs Ovidius, Tacitus en Suetonius tot modernere schrijvers als Goethe, Stendhal, Couperus en Hella S. Haasse. Ieder heeft een eigen kijk op de eeuwige stad en omdat er zo’n 19 eeuwen tussen de vroegste en laatste bijdragen zit, geeft het een mooi overzicht van Rome door de eeuwen heen.

Fascinerend hoe Henry James bijvoorbeeld in zijn roman Daisy Miller uit 1879 kan beschrijven dat de Amerikaanse Daisy midden in de nacht een date heeft in het Colosseum. Dat kon toen dus nog, gewoon ‘s nachts op je gemakje een wandelingetje maken door de ruïnes! Maar dat is niet waar hoofdpersoon Frederick Winterbourne zich over verbaast als hij Daisy aantreft. Hoewel hij er diep van binnen niet overuit kan hoe schandelijk het is dat een jongedame zich ‘s nachts met een man ophoudt, zegt hij alleen dat het Colosseum een levensgevaarlijke broedplaats van malaria is en dat het onverstandig is om er zo lang te blijven. Wat een verschil met de huidige hekken, wachtrijen en het malariavrije centrum van Rome!

Mijn favoriete teksten uit het boek zijn echter de gedichten, die nog beter dan de prozastukken het overweldigende gevoel kunnen weergeven dat Rome teweegbrengt, zoals dit gedicht van Anton van Wilderode.

En

En langs het Atrium der Vestalinnen
en op de Via Appia Antica gaan
en onder Titus- en Augustusbogen
en voor de David van Bernini staan,

Niet de David, maar mijn favoriet: Apollo en Daphne.

en uit het Pantheon de mussen horen,
en in de buurt de kuil der katten zien,
en door de parken van Maecenas lopen,
en naar de graven der Horatii,

en zitten in de kerk van San Clemente,
en bij de echo's van een springfontein,
en luisteren naar de blinkende Najaden,
en in een kloostertuin gelukkig zijn,

en door een Rome zonder tijd bewegen,
en als een pelgrim in de warme nacht,
en in de kokers van het Colosseum kijken.
En leven in een staat van overmacht.

Anton van Wilderode
Het oudste geluk (1995)

Of juist het gevoel van tegenstelling, zoals in Gezicht op de Tiber van Bastet. Oud en nieuw, Rome en Holland, verheven en eh.. een beetje simpel. Heerlijk, ik kan hier echt van genieten.

Gezicht op de Tiber (Truus in Rome)

De Tiber stroomt. Zeer eeuwig is dit stromen.
Zegt u dat wel. Toch staat het water laag.
Mijn oom heeft ook een bootje. Aan de Kaag.
Gaat nooit op reis. En zeker niet naar Rome.

De Tiber dus. Mens wat een gekke bomen,
wat zijn dat nou? is dat een domme vraag?
met balletjes! en met een rupsenplaag.
Platanen? kijk, Truus heeft een kiek genomen.

Een tiberdia. Oom kiekt ook zo veel.
Onscherp, maar ja, wat wil je, hij is scheel.
Die Tiber anders lijkt wel diaree.

God, waar stroomt al dat water toch naar toe
na al die duizend jaar, je snapt niet hoe.
Wat zeg je: Ostia? ligt dat aan zee?

F.L. Bastet
Catacomben (1980)

Een Tiberdia. (c) Matthea

Nu nog even Saxa Loquuntur lezen, een boek over inscripties zodat ik eindelijk die vermaledijde afkortingen op grafstenen, altaren en obelisken leer te ontcijferen en Mary Beard’s Ultimate Rome afkijken en dan ben ik er weer helemaal klaar voor!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *